De dode mus tussen wal en schip

Het is even geleden dat m’n laatste blog verscheen. Het was een tijd van hoge pieken en diepe dalen. Veel tijd en energie ging en gaat zitten in mijn onderwijs. Zowel bachelor- als masterstudenten ronden op dit moment hun scripties af en een van mijn vakken draait ook weer op volle toeren. Op dat soort momenten ga je vaak – noodgedwongen – mee in de waan van de dag. Totdat die waan vandaag bruut verstoord werd. Hoe je blij kan worden gemaakt met een dode mus, hoe een piek een dal werd en hoe je het gevoel kunt hebben tussen wal en schip te zitten: Een (korte) impressie.

Mijn onderwijstaak is fors, of eigenlijk beter gezegd, mijn onderzoektaak is beperkt. Ik hou van onderwijs. Met name onderwijsinnovatie (en evaluatie) is iets wat mijn hart een sneller doet kloppen. Het afgelopen jaar heb ik een SKO traject mogen doorlopen en stiekem ben ik alweer aan het kijken hoe ik mij verder kan verdiepen in onderwijskundige aspecten van het hoger onderwijs en hoe ik mijn ervaringen kan delen met anderen. Maar eerlijk is eerlijk: Onderwijs loont (nog) niet binnen de academische wereld. Carrièrepaden vereisen altijd een forse onderzoekscomponent. Terecht wellicht als je research-based onderwijs nastreeft, maar tegelijkertijd beperkend. Ik zie onderwijstalent ‘afdruipen’ richting bijvoorbeeld het HBO waar toch een andere blik op onderwijs lijkt te heersen.

Maar laat ik mijn vrouwelijke kant meer laten spreken. Carrière maken is ook maar een relatief begrip. Zijn we niet veelal vooral intrinsiek gemotiveerd voor ons onderwijs (en onderzoek)? En halen we waardering niet uit allerlei andere aspecten dan enkel een salarisschaal of functie? Mooie cijfers voor de studenten? Waardering van studenten? Aan dat laatste geen gebrek. De pieken van dit jaar waren dan ook de benoeming tot docent van het jaar van de bachelor Medische Informatiekunde, het winnen van de prijs voor het beste vak en de zogenaamde ‘docent van de maand’ benoeming van het AMC (een blijk van waardering vanuit de Raad van Bestuur op voordracht van het opleidingsmanagement èn de studenten). En dat in het jaar dat ik mijn onderwijs rigoureus innoveerde. Dàt is motiverend! En als een kers op de taart de nominatie voor docent van het jaar van de UvA, een nominatie vanuit de faculteit richting de UvA. Ik ontvang een uitnodiging vanuit de ASVA voor de prijsuitreiking op de UvA Onderwijsdag.

Al snel wordt duidelijk dat er ‘iets’ vreemd is aan die laatste nominatie. In het UvA nieuws (dat wij als AMC-ers overigens doorgaans niet ontvangen…) worden alle facultaire winnaars genoemd. De Faculteit der Tandheelkunde en de Faculteit der Geneeskunde staan er niet bij. Gekscherend roepen we weleens dat ‘ze’ in de binnenstad misschien niet weten dat er in zuidoost ook nog een dependance staat, je weet wel, dat gebouw naast de tentamenzalen. Het lachen vergaat toch een beetje dat deze ‘grap’ toch werkelijkheid (b)lijkt. We doen niet mee met de verkiezingen, net als de ACTA, is de mededeling in tweede instantie. Ik was dus wèl genomineerd en uitgenodigd, en toen toch weer niet? Ik ben het spoor bijster.

Het is mij onduidelijk waarom er dan überhaupt iemand voorgedragen is vanuit onze faculteit en waarom we eerdere jaren wel ‘gewoon’ mee mochten doen. Natuurlijk mag ik naar de UvA Onderwijsdag komen, vermeldt de dame van de ASVA me nog, maar faculteitswinnaar of niet, er is alleen aandacht voor de winnaars van de vijf faculteiten die wèl mee hebben gedaan aan de stemrondes en niet voor de faculteiten die hun stemming op een andere manier hebben ingericht. Het is dat gevoel van het hebben van het winnende lot, dat je terugvindt de dag nadat het termijn sluit waarop je de prijs mocht innen.

Ik geef onderwijs aan UvA studenten, maar ben geen UvA medewerker en krijg zodoende ook minimaal mee wat er op de UvA speelt. Het UvA-gevoel? Eerlijkheidshalve zegt me dat weinig. En dat terwijl ik voor wat betreft mijn takenpakket wellicht beter bij een UvA profiel dan een AMC profiel zou passen. Maar laat ik eerlijk zijn, deze hele situatie doet mijn UvA-gevoel geen goed.

De meeste docenten zullen weten dat mensen drie elementen nodig om gemotiveerd te zijn: Je moet je competent voelen, je moet autonomie hebben en er moet sprake zijn van een verbinding met de groep om je heen. Aan dat laatste schort het bij mij. Ik voel me tussen de wal en het schip. Ergens tussen AMC en UvA in. Maar gelukkig: Ik voel me wèl enorm betrokken bij de groep studenten waar ik het allemaal voor doe. Ik sta elke werkdag weer op om ‘mijn’ studenten te begeleiden, te sturen, te motiveren en vooral te laten groeien en hun talenten te laten spreken. Tegen de waardering van die AMC-studenten kan echt geen UvA-prijs op!

Wetenschappelijk onderwijs: tijd voor actie?

Toen ik aan mijn Canvas en blended learning avontuur begon blogde ik al: ik ben een maximizer. Ik ben zelden tevreden met het onderwijs zoals ik dat neergezet heb. Elk jaar weer probeer ik te innoveren, te verbeteren. Waarom? Omdat studenten daar simpelweg recht op hebben. Maar laat ik eerlijk zijn: het is voor mijzelf, carrière-technisch, eigenlijk heel dom.

Docent/onderzoeker
Als docent in het wetenschappelijk onderwijs heb je twee hoofdtaken: onderwijs en onderzoek. Hoewel de titel ‘universitair docent/onderzoeker’ doet vermoeden dat er voor beiden evenveel tijd en waardering is, is de praktijk anders.  Verreweg de meeste tijd gaat zitten in het onderwijsdeel, terwijl verreweg de meeste waardering voortvloeit uit het onderzoeksdeel. Om het nog wat scherper neer te zetten: eigenlijk zou je er, puur kijkend naar je carrièreperspectief, wijs aan doen zo min mogelijk tijd aan onderwijstaken te besteden om zo maximale tijd voor onderzoek te hebben.

DocentBelastingUren
Hoe werkt dan die tijdbesteding? Voor elke vorm van onderwijs krijg je uren, de docentbelastinguren (DBU’s). Zo mag je voor het voorbereiden en geven van een hoorcollege een x aantal uren spenderen, het begeleiden van een student levert je y uren op en een werkgroep x uren. Op jaarbasis moet je een bepaald aantal uren verzorgen. Een trieste conclusie is: als je zo min mogelijk ieder jaar innoveert, of zo min mogelijk tijd aan het begeleiden besteed, levert je dat dus kostbare onderzoekstijd op. Tijd waarin je kan werken aan publicaties, want dat is immers waar je op afgerekend wordt. Dat is waar veelal je loopbaan bij gebaat is. Dat is helaas hoe de universitaire wereld werkt.

Maximizen
En toch besteed ik, en vele collegae met mij, veel tijd aan mijn onderwijs(taken). Vaak zelfs meer tijd dan we ervoor krijgen. En meer dan er normaliter in een werkweek passen. Omdat we hart voor ons vakgebied hebben, omdat we studenten mooie vaardigheden willen meegeven voor de rest van hun leven, ze willen zien groeien, omdat onderwijs ons aan ons hart gaat. Gelukkig maar, want dat is ook waar de student, vind ik, recht op heeft. Alleen ga ik, net als al die collega onderwijsmaximizers, gebukt onder een (zeer) hoge werkdruk (die we dus deels onszelf opleggen) en is dus de vraag hoe lang dit nog vol te houden is. Opgeven is geen optie. We doen het voor die student.

Tijd voor actie?
Wil ik meer salaris? Nee. Daar zul je mij niet over horen. Ik wil de tijd hebben om studenten te bieden waar ze recht op hebben en waar uiteindelijk de hele maatschappij van zal profiteren. Ruimte voor innovatie. Waardering. Perspectief. Wil mijn werkgever dat dan niet? Jawel! De UvA (hoewel niet direct mijn werkgever overigens) laat in haar onderwijsvisie duidelijk zien dat er oog is voor onderwijs en de wetenschappelijk docent. Maar laten we eerlijk zijn: it’s all about the money. Meer geld voor het wetenschappelijk onderwijs is een bittere noodzaak. Wetenschappelijk onderwijs: tijd voor actie! Teken de petitie!